dinsdag 21 juni 2011

Kamperen

Zaterdagochtend kregen wij opeens de geest; ‘We gaan kamperen’. Zo gezegd zo gedaan. Ronja is lekker ingedommeld dus dat geeft ons alle ruimte en tijd om in te pakken. De tent van zolder, het luchtbed, de slaapzakken en natuurlijk het gasstelletje. Veel broekjes voor onze kleine wildebras die nogal van modderstampen houdt en een extra set warme kleren voor onszelf. We fietsen met onze bagage naar het station en laten in de trein een flinke hoosbui met donderslagen passeren. Wonderwel is het droog als we uitstappen en dat blijft het ook.


Een tent opzetten met een rondlopend dwergje blijkt wat minder makkelijk dan gedacht. Ronja is direct fan van de tentstokken en gaat er dan ook mee aan de haal. De netjes neergelegde binnentent ziet er voor Ronja uit als het mooiste dansplekje van de camping. De tentharingen blijken tenslotte fantastisch te fungeren als bijtring, en ook al vinden papa en mama dat geen goed idee, zie ze maar eens terug te krijgen van een dreumes met doorkomende hoektandjes. Peter blaast het luchtbed op en ik maak kwartier in de tent. Ronja vermaakt zich ondertussen uitstekend met takjes en dennenappels en zwaait vrolijk naar iedereen die voorbij komt. Als alles klaar is zijn wij kapot en is Ronja gelukkig toe aan haar middagdut.


De volgende ochtend breekt er, totaal onverwacht, een nieuwe fase in ons leven als ouders aan; die van andermans kindjes bij de tent. Zo gauw ik terugkom van mijn ochtendritueel in het toiletgebouw, zijn er twee onbekende kindjes die zich hebben aangesloten bij ons reisgezelschap. Ze zwermen om de tent heen en plukken aan Ronja. Ze zijn vier en tweeënhalf en totaal bevangen van onze dochter. Die laat het zich welgevallen en wordt bekieteld, versleept en gevoerd door de twee zusjes. Peter ontfermt zich gelukkig over de nieuwe aanhang, want ik ben met mijn ochtendhoofd nog niet helemaal klaar voor deze nieuwe vorm van socializen in de vroege morgen. Ik zeg ze vriendelijk gedag en kruip de tent nog even in.


Later die dag gaan we een eindje fietsen bij Lage Vuursche. Ronja zit bij mij in het fietszitje en we vertellen haar over wat we zien; de bomen, de vogels en alle andere dingen in het bos. Ronja zegt sinds een paar weken ‘kookol’ als ze vogels ziet en dat woord kan ze vandaag goed oefenen. Als we terug zijn bij de tent en onze fietsen parkeren tegen een boom wijst Ronja omhoog en zegt met haar verkouden neusje: ‘Boohm’. Daarna lacht ze trots, en wij ook.


Roos

Geen opmerkingen: